Europese munt

Op 1 januari 2002 zijn de nieuwe eurobankbiljetten en euromunten in omloop gebracht. Toen werd de euro voor de burgers van de 12 eurolanden een tastbaar feit. Twaalf lidstaten van de Europese Unie doen mee aan de gemeenschappelijke munt. Deze landen zijn:

* België
* Duitsland
* Finland
* Frankrijk
* Griekenland
* Ierland
* Italië
* Luxemburg
* Nederland
* Oostenrijk
* Portugal
* Spanje

Denemarken, Zweden en het Verenigd Koninkrijk zijn wel lid van de Europese Unie, maar doen op dit ogenblik niet mee aan de gemeenschappelijke munt. Denemarken neemt deel aan het Wisselkoersmechanisme II (ERM II), hetgeen betekent dat de Deense kroon is gekoppeld aan de euro, maar de wisselkoers ervan niet vastligt.

Aan de invoering van onze euro is heel wat werk voorafgegaan.

Het Verdrag van Rome legde in 1957 de grondslag voor de totstandkoming van een gemeenschappelijke Europese markt, met als doel de welvaart te verhogen en bij te dragen aan ”een steeds hechter verbond tussen de Europese volkeren”. De Europese Akte (1986) en het Verdrag betreffende de Europese Unie (1992) bouwden hierop verder met de introductie van de Economische en Monetaire Unie (EMU). Daarmee was de basis voor onze gemeenschappelijke munteenheid gelegd. De derde fase van de EMU begon op 1 januari 1999, toen de onderlinge wisselkoersen van de deelnemende valuta’s onherroepelijk werden vastgelegd. De lidstaten van het eurogebied gingen toen een gemeenschappelijk monetair beleid voeren. De euro werd geïntroduceerd als wettig betaalmiddel en de 11 nationale munteenheden werden nationale uitdrukkingen van de euro. Op 1 januari 2001 is Griekenland lid geworden, zodat er 12 lidstaten zijn die begin dit jaar zijn overgegaan op de nieuwe eurobankbiljetten en euromunten.

Het succes van de euro is van cruciaal belang voor een Europa waarbinnen sprake is van vrij verkeer van mensen, diensten, kapitaal en goederen. Met de euro werd ondertussen geschiedenis geschreven. Dit is de grootste muntwisseling in de wereldgeschiedenis.

Geef een reactie